In memoriam prof. Ulrich Libbrecht

MA Els Janssens

 

In memoriam Ulrich Libbrecht

Els Janssens MA

Op 15 mei 2017 overleed op 88-jarige leeftijd prof.em.dr. Ulrich Libbrecht. Hij was hoogleraar sinologie en comparatieve filosofie aan de KU Leuven. Na zijn emeritaat was hij ook gastprofessor aan de Universiteit Antwerpen en de Universiteit Gent. Via tal van boeken en lezingen verspreidde hij zijn kennis over de filosofie van het Verre Oosten in Vlaanderen en Nederland. Hij richtte de School voor Comparatieve Filosofie Antwerpen en Filosofie Oost-West (Utrecht) op. Zijn comparatief werk leidde uiteindelijk tot een eigen filosofie waarin hij elementen uit Oost en West integreerde.

De groeiende ringen

“Ich lebe mein Leben in wachsenden Ringen.” Met dit citaat van R.M. Rilke vatte Ulrich Libbrecht zijn leven en de richting die hij zijn leven en zijn filosofie uitstuurde samen.

Hij werd in 1928 geboren in een niet-intellectueel gezin in het West-Vlaamse Avelgem, werd regent wiskunde, ging Sanskriet en Chinees studeren, promoveerde in Leiden cum laude en ontwikkelde uiteindelijk een model voor comparatieve filosofie als instrument om inzicht te krijgen in de filosofieën die zich in heel de wereld ontwikkeld hebben. De kringen breidden zich verder uit dan de aarde en haar menselijke verwezenlijkingen: hij drong met zijn hart en zijn denken door tot in de kosmos en uiteindelijk in de leegte waar zich geen golven meer vormen. Deze Leegte, of dit apeiron, was voor hem de Energie, slechts bestudeerbaar via haar vormaspect, maar als een Mysterie overal en in alles aanwezig. Zo bracht hij eenheid in verscheidenheid: de grote diversiteit van natuurlijke en culturele verschijnselen – bron van rijkdom maar ook van conflict – zag hij als de verschijningsvormen van een fundamentele eenheid waarin de mens verbonden is met de andere, met de natuur en de kosmos en uiteindelijk met het grote Mysterie.

De filosofie van het Verre Oosten

Van jongs af aan was Libbrecht een filosofische zoeker. Tijdens zijn legerdienst in de jaren vijftig in Duitsland was hem het boek van Edgar De Bruyne, Inleiding tot de Wijsbegeerte (1927) in handen gevallen. Dit zette hem aan om zich verder te verdiepen in de filosofie die vooral beschikbaar was: de westerse. Maar vanuit zijn aangeboren nieuwsgierigheid en vanuit het gevoel dat de westerse filosofen iets fundamenteels over het hoofd zagen, begon hij ook Die Philosophie der Inder van Helmuth von Glasenapp (1958) en later A History of Chinese Philosophy van Fung Yu-lan (1952-1953) te lezen. Hij voelde echter een taalbeperking: waar hij voor de westerse filosofie het Grieks uit zijn humanioraopleiding kon gebruiken, ontbrak het hem aan de kennis van Sanskriet en Chinees om de Indiase en Chinese filosofische begrippen ten gronde te begrijpen. Dit dreef hem naar de Universiteit Gent terwijl hij nog wiskunde gaf in het secundair onderwijs en er thuis een gezin met vier kinderen groeide. Maar hij vond wat hij zocht: filosofische tradities die stilstaan bij aspecten van de werkelijkheid die hem fundamenteel en dus waardevol leken, maar die in de westerse traditie niet op deze manier behandeld werden. Dit was op de eerste plaats de natuur die al in de oude Chinese traditie niet gezien werd als een schepping van een metafysische God waarin de mens centraal staat, maar als een vanzelf-zo (ziran 自然), een kosmisch proces van voortdurende verandering zonder begin of einde. De mens is klein binnen de grootsheid van deze natuurlijke wording, maar niettemin invloedrijk: hij kan de natuurlijke harmonieën grondig verstoren. Het doel is dan ook niet de natuur te beheersen – denk maar aan Genesis (1,28) en aan onze technologie – maar er zich op af te stemmen zodat de evenwichten zich spontaan instellen. In deze nederigheid tegenover het grote Wonder waarin wij leven en in dit vertrouwen tegenover het vanzelf-zo dat ons omringt en dat ook ons eigen lichaam stuurt, zag hij nieuwe filosofische voeding voor de ecofilosofie en voor de natuurproblematiek die zich mondiaal opdringt.

In de filosofische tradities van zowel China als India en vooral in het boeddhisme zag hij een bevrijdingsmogelijkheid voor de crisis waarin de monotheïsmen zich bevinden. De religies van het boek kampen met een spanning tussen de onaantastbare Openbaring en de wetenschappelijke inzichten die deze weerleggen. Volgens Libbrecht moet religie zich niet bezighouden met verklaren – dit stamt uit het mythische, prewetenschappelijke stadium – maar met wat er zich innerlijk in de mens afspeelt. In de tradities van het Verre Oosten vond hij de waarde van het niet-denken: de zuivere ervaring bv. in het werk van Nishida of Nāgārjuna die zegt dat het antwoord op de ontologische vraag in een conceptueel vacuüm moet gehouden worden. Libbrecht had een grote waardering voor de wetenschappen – die hij ook op de voet volgde – maar ging er ook van uit dat de diepte van de werkelijkheid uiteindelijk onpeilbaar is. Deze diepte is rationeel niet kenbaar, ze is een conceptuele leegte (śūnyatā), maar ze is wel ervaarbaar. Het contact met het on-be-grijp-bare en dus ook het on-grijp-bare dat ontsnapt aan ons voortdurend willen in-grijpen, maakt van ons een mystieke mens. Dit vraagt een emotionele ontwikkeling die ervoor zorgt dat ons innerlijk bewogen worden niet beperkt blijft tot egogerichte emoties. Dit vond hij terug in het boeddhisme en in het confucianisme: de menselijke goedheid wordt niet afgedwongen door een systeem van straffen en belonen (een legalisme of een toekijkende God), maar wordt ontwikkeld door de ontplooiing van het goede in de mens. Dit komt voort uit het inzicht dat emoties zoals liefde niet op bevel kunnen ontstaan en dat men door goedheid te belonen eigenlijk het egoïsme stimuleert – je doet het dan voor de beloning en niet voor de andere. Hierin zag Libbrecht twee kernwaarden van religie: het gegrepen worden door het bestaansmysterie – door datgene wat de mens niet in handen heeft – en de ontwikkeling van de goedheid in de mens o.a. door de meditatieve praxis. Beide zijn innerlijke aangelegenheden. Teksten, rituelen, leerstellingen, voorschriften, … kunnen hulpmiddelen zijn, maar behoren niet tot de essentie omdat ze van buiten naar binnen gebracht worden en de werkelijke ommekeer in de innerlijke authenticiteit gebeurt.

Comparatieve filosofie en wereldburgerschap

Gedreven door de rijkdom aan ideeën die onze eigen westerse filosofie zouden kunnen aanvullen en onze blinde vlekken blootleggen, èn door de noodzaak aan begrip tussen culturen, zag Libbrecht het als zijn opdracht om op een degelijke, wetenschappelijke manier een methode te ontwikkelen om de diverse levensbeschouwingen die zich mondiaal ontwikkeld hebben, met elkaar te vergelijken zonder van onze eigen criteria uit te gaan. Het doel was niet om ze in een conflictmodel tegenover elkaar te plaatsen, maar om inzicht en begrip mogelijk te maken en van elkaar te leren. Hiervoor ontwikkelde hij een model voor comparatieve filosofie. Het steunt op drie gronddimensies die in alle tradities, weliswaar in een andere verhouding, voorkomen: natuur, rationaliteit en mysticiteit. Hij onderzoekt hoe deze dimensies filosofisch geïnterpreteerd worden, hoe ze met elkaar in wisselwerking treden en welke spanningen er ontstaan. De ontwikkeling en de toepassing van dit model heeft hij uitgebreid behandeld in zijn vierdelige Inleiding Comparatieve Filosofie. Het is een structuralistische benadering waarvoor hij zich liet inspireren door Chomsky (oppervlaktestructuur – dieptestructuur) en door zijn leermeester Leo Apostel (worldviews). Hij hoopte hiermee tegenwicht te bieden aan het eurocentrisme waarin de filosofische academische wereld nog altijd gevangen zit. Maar helaas, niet-westerse wijsbegeerte is nog altijd slechts een keuzevak aan onze universiteiten en het wordt aangeboden los van een comparatief kader. Hieruit blijkt dat men een westers, eurocentrisch uitgangspunt voldoende acht ondanks de niet in acht genomen realiteit dat Europa slechts 7% van de wereldbevolking uitmaakt. Een vaak opgeworpen argument is de vraag of die andere levensbeschouwingen de titel filosofie wel waard zijn. Voor Libbrecht heeft elke cultuur een kijk op de werkelijkheid van waaruit ze waarden en oriëntatie in het leven biedt. Dit wereldbeeld wordt paradigmatisch overgeleverd. Zodra iemand bewust gaat nadenken over de betekenis van dit overgeleverde wereldbeeld ontstaat de filosofie. Dit kan gebeuren door autochtone en door niet-autochtone denkers en is in de meeste tradities gebeurd.

De gemeenschappelijke basis voor de vergelijking zijn de fundamentele vragen die elke cultuur zich stelt. Hieruit kunnen we afleiden dat “de ervaring die tot filosofie leidt overal dezelfde is, en gedragen wordt door dezelfde verbijstering en dezelfde angst. Maar ook door dezelfde verwondering en deemoed om van de werkelijkheid te leren en erin te handelen.” (Libbrecht, 1995, p.6) De globalisering in de 21ste eeuw zou niet alleen een materialistisch en economisch gegeven mogen zijn, ook de filosofie zou dit ernstig moeten nemen en haar steentje moeten bijdragen aan een filosofisch wereldburgerschap. “Comparatieve filosofie is dan ook geen doel op zichzelf of een vrijblijvend academisch vertier, het is niets meer dan een voorstadium tot een nieuw filosofie.” (2016, p.27-28) Met zijn laatste bij leven verschenen boek Filosofie zonder grenzen (2016) hoopte hij hieraan opnieuw een bijdrage te leveren. Het bundelt de filosofische basisideeën van de Chinese, Indiase, Afrikaanse, islamitische, joodse en christelijke traditie, en die van de indianen. Michel Dijkstra zegt in zijn Basisboek oosterse filosofie (2016, p. 137) terecht over Libbrecht dat hij onvermoeibaar zijn lezers oproept om te beseffen dat we in een grote wereld leven. Door de oprichting van de School voor Comparatieve Filosofie in 1989 maakte hij ook via cursussen de comparatieve filosofie toegankelijk voor iedere belangstellende. Zo wist hij ondanks het eurocentrische bastion van de academische wereld toch zijn steentje bij te dragen aan de vorming van burgers tot wereldburgerschap en aan multiculturalisme, niet enkel vanuit tolerantie, maar vanuit een welgemeende interesse.

De nieuwe mens

Lichaam, ratio en emotie als evenwaardige bronnen van informatie

In het interviewboek uit 2015 De weg is wijzer dan de wegwijzer vat hij de twijfel aan de universaliteit van het westerse denken kort samen: “Ik begon nogal sterk te twijfelen aan dat Griekse denken, of dat wel juist was. Er ontbrak daar iets voor mij, maar ik wist niet wat. Nu weet ik het: de emotionaliteit ontbrak.” (p.189) In Libbrechts denken en ook in zijn model voor comparatieve filosofie zijn naast de rationaliteit ook het lichaam en de emotionaliteit volwaardige bronnen van informatie. Enerzijds is dit binnen zijn comparatieve model een noodzaak omdat bv. in het taoïsme de directe ervaring van lichamelijke signalen erkend wordt als een volwaardige epistemologische categorie. In het Indiase denken zal men uit de meditatieve eenheidservaring afleiden dat ātman (de individuele ziel) en brahman (de alles dragende kracht) in wezen één zijn en hiermee de ontologische essentie afleiden uit de innerlijke ‘kennis’ van het bewustzijn. Anderzijds komt deze erkenning van meer dan alleen de puur rationele vormen van epistemologie ook voort uit de authentieke aandacht voor de levenspraktijk zelf. Libbrecht haalt het lichaam en de emotionaliteit niet binnen vanuit een zweverige sentimentaliteit of een eng materialisme, maar vanuit een onvooringenomen realisme dat het lichaam en de emoties nu eenmaal ons leven bepalen en voortdurend als een onderstroom aanwezig zijn. Daarom heeft hij het ook altijd opgenomen voor de waarde van het lichaam “het lichaam is wijzer dan het verstand en wij moeten zijn signalen ernstig nemen.” (2005, p.644). Maar lichaamsbewustzijn moet samengaan met rationele en emotionele ontwikkeling. Zoals de ontwikkeling van de rationaliteit oorzaak en gevolg waren van de westerse verlichting en de rede bevrijd heeft van dogmatiek en bijgeloof, zo is er een emotionele verlichting nodig om ons hart te bevrijden van het o.a. door het economisme gestimuleerde egoïsme. Deze emotionele verlichting is volledig afhankelijk van de emotionele opvoeding of van zelftraining. We moeten onze gevoelens verfijnen om dit proces te kunnen opstarten. Het resultaat zal een ‘nieuwe mens’ zijn, en op zeer lange termijn een nieuwe beschaving; net zoals de rationele verlichting de kritische rationalist voortbracht en daaruit de wetenschap en technologie volgden, zo zal de emotionele verlichting de gevoelige mens voortbrengen, de zachtmoedige en goedhartige ... de mens die maitri (liefde) en karuna (mededogen) in de wereld brengt, niet slechts voor de mensheid maar voor de hele kosmos. Het zal tezelfdertijd het einde betekenen van onwaardig gedrag zoals oorlogvoering, economische uitbuiting, politieke dominantie, in één woord: van de ego-intentionele conflictmodellen.” (2016, p.282) Libbrecht zag het dan ook als een belangrijke taak voor de filosofie om een filosofie van de emoties te ontwikkelen en voor de religie en het onderwijs om “ de emoties te verfijnen en ze bestand te maken tegen de commercieel geïnspireerde vereelting van het innerlijk leven.” (2016, p.273)

Mir ist alles Wunder

In een authentieke filosofie is de ervaring de katalysator van het denken, zoals Heidegger opmerkt dat filosofie begint met een ‘Stimmung’. Het innerlijk bewogen worden door het mysterie van de werkelijkheid, “Mir ist alles Wunder.” (Schleiermacher), lag als grondstemming aan de basis van Libbrechts filosofische werk (2015, p.192). De kosmos speelde hierin een belangrijke rol. “Los van alle tradities kan ik opkijken naar de sterrenhemel en aangegrepen worden door dat immense wonder waarin wij leven en waarvan we een onooglijk klein fragment zijn.” (2017, p.13) Dit was voor Libbrecht de kern van de spiritualiteit en de open plek (Lichtung) waar ook religies ontdaan van hun cultuurgebonden symboliek en dogmatiek elkaar zouden kunnen ontmoeten (2016, p. 273-274). Het is ook de plek waar mensen met een religie en mensen zonder een religie elkaar kunnen ontmoeten. Vanuit zijn comparatief werk zocht Libbrecht een antwoord op de vraag wat verschillende religies tot religie maakte. Wat hebben ze gemeenschappelijk? Hij zocht dit niet in de volksreligieuze verschijningsvormen, maar in de filosofische diepte. Daar vond hij een gemeenschappelijke mystieke kern die hij reduceerde tot ‘het gegrepen worden door het bestaansmysterie’. Het gaat erom dat “men het mysterie niet be-grijpt, maar er zich door laat grijpen.” (2014, p.6) In enkele publicaties (2004, 2014) bracht hij eerlijk verslag uit van zijn eigen spiritueel proces. Vlak voor zijn overlijden schreef hij Ierse meditaties (2017) waarin hij op zoek gaat naar een nieuw pantheïsme in de groene God van het Ierse Christendom.

Levensfilosofie: de weg is wijzer dan de wegwijzer

Libbrechts comparatief studiewerk heeft altijd in wisselwerking gestaan met de ontwikkeling van een eigen levensfilosofie. Hij wou de wereld en zichzelf begrijpen en ging hiervoor te rade bij zowel de grote wetenschappers als de filosofen uit de hele wereld. Voor Libbrecht was filosofie geen theorie waarbij de filosoof de toeschouwer (theorein) is van het leven, maar een weg (tao 道). De filosoof is dan de deelnemer aan het leven, hij gaat de weg en zijn filosofie ontstaat vanuit de levenservaring. Vandaar dat voor Libbrecht de weg wijzer is dan de wegwijzer. “Alle mooie verhalen, parabels en theorieën die wij verkondigen zijn eigenlijk allemaal maar wegwijzers. Maar wat heb je aan een wegwijzer als je die richting niet uit wil? En als je die richting uit gaat, heb je na een tijd geen behoefte meer aan een wegwijzer, je bent immers op weg. Alleen de weg zal je wijzer maken. Val dus niet op je knieën voor wegwijzers, niet voor filosofieën, niet voor religies. Mensen luisteren graag, al te graag, naar mooie woorden, die hen ontroeren en vermaken; maar woorden lossen geen problemen op, woorden vragen om daden.” En dit heeft hij dan ook gedaan. Libbrecht belichaamde zijn model: hij was een in de aarde gewortelde wandelaar en tuinier die kritisch nadacht en wetenschappelijk en filosofisch werk bestudeerde, maar ook diep ontroerbaar was. Hij luisterde niet alleen naar zijn verstand, maar ook naar wat er zich innerlijk en in zijn lichaam afspeelde. Hierdoor was wat hij schreef en tijdens lezingen vertelde authentiek en herkenbaar voor een niet filosofisch geschoold publiek. “Ik heb het altijd als een heilige plicht beschouwd voor de minste van mijn broeders te spreken. Bovendien heb ik ervaren dat men iets zelf maar ten gronde begrijpt – niet zuiver rationeel, maar ook emotioneel – wanneer men het in eenvoudige klare taal kan beschrijven.” schrijft hij op zijn tachtigste in Met dank aan het leven (2008). En dat deed hij. Hij was een inspiratiebron en een hulp voor velen in de levensbeschouwelijke crisis aan het einde van vorige eeuw. Bovendien bezat hij een levendige humor en een beeldend verteltalent waarmee hij volle zalen in beweging bracht. Maar hij werd vooral ernstig genomen omdat hij een kritische rationalist bleef, ondanks de oosterse en mystieke materie waarmee hij zich bezighield. Hij was een echte vrije denker die alles ernstig in vraag durfde stellen, ook de rationaliteit zelf.

Handelen betekende voor hem meer dan praten of schrijven. Hij zette zich daadwerkelijk in voor natuurbehoud binnen het huidige Natuurpunt en in de Vlaamse Ardennen door de oprichting van het Milieufront Omer Wattez. Hij was een man van daden, vol enthousiasme en wilskracht, een harde werker, trouw aan zijn idealen en hij wist velen te stimuleren om ook voor hun ideaal te gaan. Vanuit diezelfde geest werd een jaar geleden het Libbrechtgenootschap (www. libbrechtgenootschap.org) opgericht, een vereniging die zijn gedachtegoed verder wil uitdragen en ontsluiten.

De nawerking van de golf

Voor Libbrecht zijn wij allemaal golven die opdoemen uit de zee en weer verdwijnen in de diepte. De diepte is het Mysterie, dat wat we niet met ons verstand kunnen vatten, de grond van waaruit alles voortkomt. Je kan dit God noemen of Leegte, of Manitoe, of... Voor hem was het de Energie die in alles als een goddelijke kracht aanwezig is en die maakt dat we in essentie één zijn. De bloemen, de dieren, de mensen, de planeten, … we zijn allemaal wonderlijke manifestaties binnen die grote kosmische stroom van energie. De golf van Ulrich Libbrecht was een grote golf die veel andere golven voortgestuwd heeft. Zijn zichtbare golf verdwijnt in de diepte en keert terug naar de eenheid van het water. Maar zijn kracht werkt verder in de andere golven, in de vele initiatieven die hij opgestart heeft en in de mensen die hij wist te inspireren. We verliezen met hem een bijzondere mens en een unieke filosoof, die zich niet liet leiden door autoriteiten of formalismen, maar door wat hem echt bezighield en beroerde. Hij was een filosoof met een hart voor de wereld.

Literatuurlijst

 

Michel Dijkstra, Basisboek oosterse filosofie, ISVW Uitgevers, Leusden, 2016.

Ulrich Libbrecht, Is God dood? Zoektocht naar de kern van de spiritualiteit, Lannoo, Tielt, 2004.

Ulrich Libbrecht, Inleiding Comparatieve Filosofie, Van Gorcum, Assen, 1995 (I), 1999 (II), 2003 (IIIA) en 2005 (IIIB).

Ulrich Libbrecht, Met dank aan het leven, Lannoo, Tielt, 2008.

Ulrich Libbrecht, Adieu à Dieu. Naar een religieus atheïsme, Garant, Antwerpen/Apeldoorn, 2014.

Ulrich Libbrecht, De weg is wijzer dan de wegwijzer, Garant, Antwerpen/Apeldoorn, 2015.

Ulrich Libbrecht, Filosofie zonder grenzen, Garant, Antwerpen/Apeldoorn, 2016.

Ulrich Libbrecht, Ierse meditaties. Naar een nieuw pantheïsme, Garant, Antwerpen/Apeldoorn, 2017.

CV

Els Janssens is als docente verbonden aan de School voor Comparatieve Filosofie Antwerpen vzw en aan LUCA School of Arts, Lemmensinstituut Leuven.

 

Dit artikel verschijnt binnenkort in het tijdschrift 'Filosofie' (uitgeverij Garant)