In memoriam prof. Ulrich Libbrecht

dr. Koenraad Elst

 

Moeder waarom sterven wij?

19 MEI 2017 Koenraad Elst (www.doorbraak.be)

Wegwijzer Ulrich Libbrecht

Op 10 juli 2008, toen Ulrich Libbrecht, mijn vereerde promotor in Sinologie, zijn 80ste verjaardag te vieren had, wijdde de gemeente Kluisbergen in de Vlaamse Ardennen daar een groot feest aan. De wandeling die hij elke dag rond zijn huis in het gehucht Zulzeke maakte, werd gepromoveerd (het woord is hier wel gepast) tot de “Ulrich-Libbrechtwandeling”, compleet met enkele rustpunten voorzien van een bord met één van zijn wijsheden. Aldus: “De weg is wijzer dan de wegwijzer.”

Bij die gelegenheid stelde hij een boek voor: Met dank aan het leven. Mijn moeder, even oud, vond het een prachtige afscheidstekst. Hij had het ook als zijn laatste boek bedoeld. Het daaraan voorafgaande decennium had hij het ene boek na het andere uitgebracht, te beginnen met zijn magnum opus, het vierdelige standaardwerk Inleiding tot de Comparatieve Filosofie. De titel geeft meteen zijn belangrijkste werkterrein na zijn pensioen aan (in Antwerpen richtte hij de School voor Comparatieve Filosofie op, met de Utrechtse tegenhanger Oost-West). Enkele jaren later werd de schrijversjeuk hem echter opnieuw te machtig, en leverde hij nog enkele boeken af. 

Nog meer boeken

Inhoudelijk erg belangrijk in het weer oplevende debat over zin en onzin van religie, is zijn boek Adieu à Dieu: Naar een religieus atheïsme (Garant, 2014). Het gaat vooral over het boeddhisme, en hoe dat enerzijds allerlei kenmerken van een religieuze praktijk heeft, maar anderzijds toch niet in een Opperwezen gelooft. Op volks niveau zijn er volop die tot de Boeddha, of tot één van zijn gedaanten om verlossing bidden: Namo Amituo Fu, “Gegroet, Boeddha van het Onmetelijke Licht”; maar boeddhisten die ernstig hun zaak kennen, doen het zonder. (In 2005 moesten boeddhisten in Cambodja beletten dat snode christelijke missionarissen de geest van de nieuwe generatie zouden vergiftigen door in de schoolboeken de bewering binnen te smokkelen dat religie de verering van een Opperwezen betreft, een zekere “God”.) In het jezuïetenblad Streven las ik laatst dat het modieuze idee van een “religiositeit zonder God” in de praktijk nooit ver zal komen; maar in dit boek toont Libbrecht aan dat het al 25 eeuwen bestaat, en de laatste eeuw ook in het Westen is gaan floreren. En vooral, dat het heel samenhangend en intellectueel bevredigend is, en dat het zijn beoefenaars alles geeft dat mensen in religie zoeken.

Ik laat zelden een boek signeren, maar van dit ene koester ik wel de opdracht: “Aan KE, oud-leerling en geestesgenoot”, met daarbij de sleutelzin van het daoïsme: ziran dao ye, “de natuur is de Weg”. Met “natuur” vertaalt hij hier het Chinese begrip zi ran, “vanzelf zo”. Voor hem had dat begrip echter niet alleen een metafysische betekenis: hij was een pionierend natuurliefhebber, een tijd voorzitter van de Wielewaal, en verwoed tuinder.

In zijn volgende boek wijdde hij uit over de natuur, zowel op aarde als in de sterrenhemel; maar ook over Griekse, Duitse, Indiase, Chinese en andere wijsbegeerte, eigenlijk over alles wat hem geïnspireerd had. Hij richtte zich daarmee tot de nieuwste generatie, de vermaledijde dummies die geen behoorlijke scholing meer schijnen te krijgen en hun beperkte kennis vlug-vlug uit de Wikipedia halen: De bricoleur en de dummies. Een boek voor jonge denkers en dromers (Garant, 2015). De “bricoleur” is Libbrecht zelf, die door vakfilosofen vaak als een amateur werd afgedaan. Iedereen heeft wat aan het boek, maar het ideale doelpubliek is de jongere die zich afvraagt wat met zijn leven te doen, en wat er in die grote wereld het leven de moeite waard maakt.

Testament

Toen de professor zijn magnum opus schreef, was hij de zeventig al voorbij, en schreef ik in mijn bespreking dat dat wel zijn intellectueel testament zou zijn. Gezien het tiental boeken dat nog volgde, zat ik er ver naast. Maar wat echt als zijn testament zal fungeren, is zijn laatste werk, dat kort voor zijn dood verschenen is: Filosofie zonder grenzen.

Eén van de tien hoofdstukken, over Afrikaanse wijsbegeerte, is geschreven door zijn college Heinz Kimmerle, inmiddels ook overleden; en in de redactie van het werk is de oude meester ook bijgestaan door zijn jongere collega Els Janssens, een oud-studente van hem. De hoofdstukken 5 tot 9, over “etnofilosofie” (namelijk Indiaanse en Afrikaanse) en over “theontische filosofie” (joodse, christelijke en islamitische) kunnen als nieuw beschouwd worden, gegroeid uit zijn werk in de School voor Comparatieve Filosofie. Dat wou echt universeel zijn en geen enkele wijsgerige traditie onbesproken laten. De hoofdstukken over oosterse wijsbegeerte (1-4) en het slothoofdstuk (10) dat dan echt vergelijkend wil zijn, kan men daarentegen zien als een hapklare, maar ook rijpere samenvatting van zijn hoofdwerk.

De echte vergelijking met Benedict de Spinoza, Immanuel Kant en andere klassieke Westerse denkers wordt wel tot een aantal voorbeelden beperkt. Libbrechts forte is de onderlinge vergelijking tussen de verschillende Indiase en Chinese zienswijzen, wat bijdraagt tot een beter begrip van elk van hen, en daarover krijgt men hier de speerpunt van de voortschrijdende kennis. Wat men destijds al tegen zijn vergelijkingsmodel opwierp, kan vandaag herhaald worden: Libbrecht gebruikt een natuurkundig model om verschillende wereldbeelden op een gemeenschappelijke noemer te brengen. Hij werd eerst regent wiskunde, en zijn doctoraatsverhandeling ging over de Chinese wiskunde op haar hoogtepunt (rond +1200), hij voerde het vak Chinese Wetenschapsgeschiedenis in en bleef de wijsbegeerte door een natuurwetenschappelijke bril beschouwen. Hier ontbreekt de ruimte om het allemaal uit te leggen, leest u vooral het boek zelf, maar het gaat over energie versus informatie, gebonden versus vrije energie, over bewustzijn en natuur, en het vormt een objectief raamwerk. Vakfilosofen vinden die tastbaarheid maar zwak, het tegendeel van het relativistische “postmodernisme”, want zij willen zich in een oeverloos landschap met onbeperkte duidingsmogelijkheden vermeien.

Opmerkelijk is het hoofdstuk over joodse wijsbegeerte, dat van veel empathie en een verrassend gedetailleerde kennis van de basis- en commentaarteksten getuigt. Verrassend althans voor wie zich heeft laten inpakken door de tirade van Benno Barnard, die ooit in De Standaard de ruimte kreeg om Libbrecht van antisemitisme te beschuldigen. Er bestaan inderdaad dwepers met de natuur die de “godsdienst van het boek”, of de “woestijngodsdienst”, maar levenloos vinden en dan in anti-joodse retoriek vervallen. Libbrecht hoort daar echter niet bij, en heeft tot zulke verdenking nooit enige aanleiding gegeven. Alhoewel hij niet in de God van de Bijbel gelooft, toont hij wel aan dat zelfs een strikt genomen begoocheld wereldbeeld tot dezelfde denkhoogstandjes aanleiding geeft. Er is leven zelfs na de Openbaring.

Wereldburger

Ik wens dit boek een talrijk lezerspubliek toe. Het is voor iedereen een uitstekende inleiding tot het denken van de beschavingen der mensheid, en tot de vergelijking tussen de verschillende zienswijzen. En het laat iets voelen van Libbrechts sympathie voor zijn onderwerp, die aanstekelijk op de lezer zal inwerken. Bij uitstek voor vakfilosofen is het nuttig: het breekt hun overgespecialiseerd en jargonesk wereldbeeld open. Als houder van een diploma Wijsbegeerte, die zoals de meesten in dat geval andere dingen is gaan doen, kan ik getuigen dat dat vakgebied vandaag nog weinig anders is dan het inkleden van banaal-conformistische standpunten in hoogdravend jargon; juist Libbrechts benadering zou het enig nieuw leven kunnen inblazen. Toen ik mijn thesis schreef, was de prof eens weg naar een wereldcongres over Vergelijkende Wijsbegeerte, jawel, in Hawaii. Hij vertelde achteraf dat lezingen door Aziatische wijsgeren veelal als een soort koffiepauze behandeld werden, en dat Amerikaans topwijsgeer Richard Rorty de Aziatische denkscholen als misschien wel ideeënrijke wijsheid, maar geen stelselmatige wijsbegeerte afdeed (precies wat wij in onze cursus Fundamentele Wijsbegeerte hadden moeten leren). Ik heb het zelf vaak ondervonden. Op een Gentse conferentie over Arthur Schopenhauer bijvoorbeeld bleek niemand iets af te weten van het boeddhisme of de Oepanisjade, die juist zijn belangrijkste inspiratiebron waren. Op een Nederlands filosofie-evenement over ‘verandering’ stelde ik een kennismaking met het denken achter het confuciaanse Boek der Veranderingen voor, maar daar deden de vakfilosofen alleen maar meewarig over. En dat ondanks alle geleuter, zeker ook in de departementen Wijsbegeerte, over multicultuur. Ulrich Libbrecht, van huis uit cultuurflamingant en aan die erfenis nooit ontrouw geworden, was tegelijk op denkniveau een wereldburger. Ego Mundi Civis, “ik ben een wereldburger”, is het motto van de door hem gestichte School. Het volledige citaat van Erasmus wordt in de aanhef van zijn slotwerk aangehaald: Ego mundi civis esse cupio, “ik wil een burger van de wereld zijn”. Dat klinkt wat bescheidener, net zoals een filosoof zich geen ‘wijze’ noemt, maar iemand die ‘wijsheid begeert’.

Slotwoord

Op 15 mei 2017 is Ulrich Libbrecht uiteindelijk dan toch in de kosmos opgelost. 88 was hij, zoveel als er sterrenbeelden zijn. Dit waren zijn afscheidswoorden:

“Moeder, waarom sterven wij? “
Omdat de Stroom mijn leven nodig heeft om Stroom te worden: de Stroom is de som van de oneindig vele druppels, waarvan ik er één ben. Het leven heeft mijn dood nodig.
“Daarom sterf ik gelaten, omdat ik weet dat ik voor altijd verder leef, niet als schamele waterdruppel die even het licht van de zon als een kleine regenboog mocht weerkaatsen, maar als onvervreemdbaar eeuwig deeltje van de zee van dit bestaan.”

Filosofie zonder grenzen, Garant, Antwerpen 2016, ISBN 978-90-441-3397-4, 287pp., € 31,90.

Dit artikel werd gepubliceerd op www.doorbraak.be