De geur van de roos. De uitdaging van de comparatieve filosofie.

prof.dr. Antoon Van den Braembussche

 

De geur van de roos. De uitdaging van de comparatieve filosofie. In zijn onvolprezen The Way of Zen, één van mijn lievelingsboeken eind jaren zestig, wijst Alan Watts erop dat Zen een manier van leven is en daarom moeilijk kan worden geplaatst binnen een Westers kader. Op de keper beschouwd is het Zenboeddhisme immers noch een religie noch een filosofie; het is noch een psychologie noch een bepaald type van wetenschap. Het belichaamt eerder wat in Indië en China een “weg naar bevrijding” wordt genoemd, een weg die in elk geval, aldus Alan Watts, niet simpelweg kan worden gedefinieerd. Ze moet gesuggereerd worden door te zeggen wat ze niet is, ‘enigszins zoals een beeldhouwer een beeld onthult door stukken steen van een blok te verwijderen’.

Vanuit dit oogpunt lijkt comparatieve filosofie een onmogelijkheid, gegeven het feit dat Westerse filosofie zeer sterk is toegespitst op een denken in stricte zin, namelijk een denken dat via argumenten en expliciete redeneringen een bij uitstek rationeel vertoog ontvouwt. Een denken dat blootlegt, definieert, verheldert, ontsluiert. Een denken dat ons als het ware een kompas voorhoudt, waarnaar wij ons kunnen oriënteren en dat ons een houvast kan bieden. Maar wat te denken van de vraag “Wat gebeurt er met mijn vuist als ik mijn hand open?’ Een dergelijke vraag is een uitdaging voor onze conventionele opvatting, omdat wij een vuist als een object opvatten, en niet ook als een proces, zoals dit in het Chinees het geval is. Wat te denken van de beroemde Zen koan: “Iedereen kent het geluid van 2 klappende handen, wat is het geluid van 1 klappende hand?” Dit soort van vragen brengt in het rationele denken een soort kortsluiting teweeg: het toont meteen de limieten van het rationele discours. Met deze meer onconventionele bril kijken naar het Westers denken, levert toch meer op dan je zou verwachten. Zo komt Alan Watts’ voorbeeld van de beeldhouwer die een beeld onthult door stukken steen te verwijderen heel dicht in de buurt van wat Heidegger onder waarheid, alētheia, verstaat: waarheid is voor Heidegger altijd onverborgenheid, toont zich omdat ze tegelijkertijd niet toont, ontsluiert zich omdat zij zich tegelijk versluiert, of om helemaal Heideggers taal te gebruiken: de waarheid ontbergt omdat zij tegelijkertijd verbergt. Dit komt natuurlijk al een heel stuk dichter in de buurt van het Oosters denken. Helemaal mooi wordt het als je de mystieke ervaring erbij betrekt, die toch ook een niet onaanzienlijke rol in de Westerse filosofie heeft gespeeld en nog speelt. In de theologie sprak men in de middeleeuwen over negatieve theologie om aan te duiden dat we slechts over God kunnen spreken in negatieve termen, over God slechts kunnen spreken door te zeggen wat hij niet is. Vroegere mystici als Meister Eckhart maar ook meer hedendaagse filosofen als Jacques Derrida spreken, zij het vanuit heel andere contexten en ervaringen, van het onzegbare in de zin van de negatieve theologie. Ook in de Oosterse filosofie vind je een dergelijke negatieve theologie. Ook daar luidt het in het hindoeïsme en meer in het bijzonder in de Adwaita Vedanta neti neti, “niet dit, niet dit’, of “noch dit, noch dat”. Deze negatieve theologie heeft veel weg van wat Ulrich Libbrecht als een gemeenschappelijke dieptestructuur beschouwt, een gemeenschappelijke kern van spiritualiteit die volgens hem aan de oppervlaktestructuren van de verschillende religies ten grondslag ligt. Deze kern verandert in wezen niet, wordt enkel op verschillende wijze ingevuld door de verschillende religies.

Het leidmotief van Libbrecht is hier: “De geur van de roos verandert niet als je haar naam verandert’ (Shakespeare). Toch is comparatieve filosofie niet enkel zoeken naar het gemeenschappelijke, maar ook naar verschillen, het niet-gelijke, het absoluut-andere. Deze verschillen hebben vaak te maken met de culturele context, soms zijn de verschillen onherleidbaar en laten ze de limieten van de vergelijking en de culturele synthese zien. Hier worden we opnieuw met het onzegbare geconfronteerd, datgene wat onze denkcategorieën en zelfs onze ervaringshorizon overschrijdt. Dan eerst wordt comparatieve filosofie een echte uitdaging, omdat men verplicht wordt het ondenkbare te denken. Hier doet zich ook een merkwaardige paradox voor: hoe meer men zich bewust wordt van de verschillen, hoe sterker men de overeenkomsten ervaart! De geur van de roos is niet op elk moment dezelfde. Zij verandert voortdurend! Zij is de impermanentie zelf.